We spraken met Luc Weckhuysen, zaakvoerder van Molens Vanden Bempt in Sint –Joris-Weert. De maalderij ligt aan de Nethen, een klein riviertje op de taalgrens, en is een familiebedrijf sinds generaties. Luc’s overgrootvader kocht de ‘Weertmolen’ honderd jaar geleden, en vandaag werkt Luc samen met zijn vrouw en hun zoon Simon.
Is er nog een toekomst voor het ambacht van de molenaar? Naarmate we molens zien opduiken in erfgoed programma’s, krijgen wij de indruk dat we het molenaarsambt alleen nog een nostalgische terugblik gunnen. Want hadden de dorpen van weleer niet bijna allemaal hun eigen maalderij? Nostalgie scherpt onze interesse. De molenaars van vandaag zijn echter bezig met de toekomst en daar willen we naar peilen.
Maar eerst twee vragen over het graan: de grondstof en basis van elke maalderij.
De teelt van bakgranen verdwijnt uit onze streken? Welke oorzaken zie jij daarvoor?
Ik kan voor de vuist geen alomvattend antwoord geven. In de eerste plaats denk ik dat de verkoopprijs voor bakgranen te laag is, akkerbouwers kiezen bijgevolg voor teelten die meer opbrengen.
De marktprijs is bijzonder grillig geworden en veel factoren spelen mee. Vorig jaar nog was er een misoogst in verschillende grote exportlanden tegelijk, vanwege droogte enerzijds en te veel regenval op andere plaatsen. Op korte tijd steeg de prijs tot het drievoud van voorheen. Speculanten hadden de graanmarkt ontdekt en werden er actief.
Maar in het algemeen is de prijs te laag om zich te wagen aan de tarweteelt, toch de basis voor veel van onze broden. Baktarwe telen is een specialisme waar veel boerenkennis voor nodig is. Zulke tarwe is ook nog eens heel gevoelig aan ziektes zodat er ook voor specialisten altijd een risico blijft.
In deze context is het ergens te begrijpen dat boeren kiezen om bieten of maïs te telen of granen voor veevoeding.
Waar vinden jullie het graan voor de aanvoer van de maalderij?
Wij werken rechtstreeks samen met boeren waarmee we op lange termijn hopen te kunnen werken. We zoeken naar de beste kwaliteit en komen meestal terecht in Frankrijk en Duitsland. Het klimaat verschilt daar van hier en bovendien hebben ze er via enttechnieken hele goede graansoorten ontwikkeld. Van die buitenlandse soorten breng ik soms partijen mee om hier te laten uitzaaien.
Er komt minder graan uit Noord-Amerika tegenwoordig. Voor België schat ik het aandeel binnenlandse teelt op 40 tot 50%, en dat vermindert.
Het rechtstreeks samenwerken stelt ook eisen waaraan niet elke boer kan tegemoet komen. Ze moeten bijvoorbeeld zelf een stockage voor het ongemalen graan hebben. En zelfs die bewaring is een specialisme.
Zo te horen zie je jezelf als een deel van een korte keten?
We kopen rechtstreeks aan en leveren in de eigen regio, dus dat klopt. We werken ook mee aan het Hagelandse Streekbrood, een project dat uitging van Vredeseilanden. In die specifieke regio wordt de tarwe geteeld, wij maken daar bloem van en verdelen die bij bakkers uit dezelfde regio. We doen daar graag aan mee, maar moeten toch zeggen dat die broden niet spectaculair lopen. Het aantal deelnemende bakkers blijft te klein en het project behield vooral een symbolisch karakter.
Onze afzetmarkt staat in het algemeen ook onder druk omdat minder bakkers kiezen voor kwaliteit. Weinigen blijven bereidt om de meerprijs van kwalitatieve granen te betalen. Dat is nochtans een eenvoudige voorwaarde: om kwaliteit te kunnen leveren heb je een goede prijs nodig. Dat begrijp iedereen, maar verre van iedereen kiest vervolgens voor voedsel van de beste kwaliteit.
Je bent ook voorzitter van Molenaars 2000, een groep van kleine industriële molenaars. Hoe ziet hun toekomst eruit?
Je kan de molenaars in drie groepen opdelen: de ambachtelijke molenaars en daarnaast de kleine en grote industriële molenaars. Hun aantallen daalden de voorbije tientallen jaren continue. We hebben nu nog 38 actieve molens waarvan onze groep van kleine industriëlen er 20 telt. Maar met die 20 molens produceren we maar 5% van het totaal op de markt.
Onze gezamenlijke capaciteit is ook nu nog te hoog zodat we voorspellen dat er nog molens zullen stoppen. Een andere reden om te stoppen zijn problemen bij de overname. De uitrusting van een molen is bijzonder duur en een jongere persoon zal zich daar niet gemakkelijk aan wagen. Het beroep is ook niet zo gemakkelijk, je moet er helemaal voor gaan en draagt een grote verantwoordelijkheid.
We zijn eigenlijk een uitstervend beroep. Sommigen voorspellen dat er over een tiental jaren zal vastgesteld worden dat er geen echte molenaars meer zijn. Degenen die er vandaag iets aan kunnen doen liggen er duidelijk niet wakker van.
Van de grote maalderijen heb je er een vijftal in België. Zij beschikken over een geïntegreerde keten: hun bloem kunnen ze dus kwijt aan hun eigen bakkerijen. Maar stel je die bakkerijen niet voor naar het gekende dorpsmodel. We hebben eens een fabriek van een van de grote maalders bezocht. Wel dat heeft niet veel met brood te maken: alles gebeurt machinaal, er zijn geen geuren noch contact met het brood. In die fabriek zagen we ook nauwelijks werkvolk, alles gaat daar automatisch. Het is een wereld die ver van ons afstaat.
Hebben jullie verwachtingen ten aanzien van de politieke besluitnemers?
Zeker wel, maar geen te beste. De Vlaamse wetgever zegt dat er onder druk van Europa enkele veranderingen moeten komen. Met drie voorstellen van minister Van Quickenborne hebben we het moeilijk.
Ten eerste zou het beroep niet langer beschermd zijn, iedereen zou zich dan maalder kunnen noemen maar de betekenis van het woord zou uitgehold worden.
Ten tweede willen ze de contingenten afschaffen. Daarbij werden er afspraken gemaakt werden over de volumes die maalderijen mochten produceren. Die afspraken afschaffen zou de concurrentie natuurlijk verhogen en er valt te voorspellen dat de groten meer markt zullen inpalmen. Als er als eerste gevolg een overcapaciteit zou komen kan de prijs nog een belangrijker argument worden en zijn degenen die aan kwaliteit werken de dupe. Trouwens was dat contingent nog een laatste activa met waarde voor maalders die stoppen. Op dat moment konden ze hun contingent tenminste nog ten gelde maken.
Ten derde wil men morrelen aan het verschil in behandeling van industriële en ambachtelijke molenaars. Men stoort zich dan niet aan een gebrek aan zicht op het terrein, men betrekt de ambachtelijke molenaars ook helemaal niet bij het overleg hierover.